Uitgangspunten

 

-  (HOLISTISCH)

gericht op een brede persoonsontwikkeling (zoals samenwerken, communiceren, initiatieven nemen, plannen maken, contacten met anderen aangaan, leren omgaan met gevoelens en ervaringen, geïnteresseerd zijn) die altijd verbonden wordt aan kennis en vaardigheden (schrijven, lezen, woordenschat enz). In dit handelen gaan affectieve en cognitieve doelen samen. De meer cognitief georiënteerde doelen en activiteiten voor specifieke kennis en vaardigheden - taal, rekenen, WO - zijn altijd verbonden met de doelen van de basiskenmerken en brede ontwikkeling. Er wordt gestreefd naar samenhang tussen verschillende activiteiten. (De Haan, 2005).

 

- (BETEKENISVOL)

Ontwikkeling berust op het leren door begeleide deelname aan betekenisvolle activiteiten.

Het gaat om betekenisvolle activiteiten; Bij het uitvoeren van activiteiten worden vele culturele instrumenten ingezet (meten, wegen, rekenmachines, ...) en dit binnen een betekenisvolle en functionele context. Deelnemen aan een activiteit is belangrijker dan presteren. een thematisch aanbod van sociaal culturele activiteiten waarin kinderen inbreng kunnen hebben in keuze en planning. In de onderbouw hebben de activiteiten een spelkarakter en in de midden en bovenbouw vooral een onderzoekskarakter.

Een betekenisvolle activiteit is gemotiveerd vanuit behoeften in de samenleving. (De Haan, 2005)

 

-  (LEERKRACHT)

De leerkracht is ook een deelnemer aan de culturele praktijk

Het aandeel van de leerkracht bepaalt in hoeverre het thematische activiteitenaanbod bijdraagt aan de beoogde ontwikkeling van leerlingen. Leerkrachten bemiddelen tussen de motieven, betekenissen en mogelijkheden van leerlingen enerzijds en de doelen die zij belangrijk vinden anderzijds. Hier moet evenwicht in zijn. Daarom moeten ze zelf een activiteitenaanbod ontwerpen. Maar nog meer dan dat: ze spannen zich in om leerlingen verder te helpen, om ervaringen en handelingsmogelijkheden toe te voegen, om ontwikkeling en leren doelbewust uit te lokken en te stimuleren. Gallimore and Tharpe noemen dat ‘assisted performance’.

Van groot belang is dat de activiteit die de context vormt voor het leren, zoveel mogelijk lijkt op de realiteit. Daarvoor is het ook nodig dat de leerkracht deelneemt aan de activiteit. Zo kan hij rolmodellen tonen en/of andere deelnemers helpen in die aspecten die de kinderen nog niet aankunnen. Verder is de leerkracht de stuwende rol om op zoek te gaan naar mogelijkheden tot verbreding en verdieping.

 

-  (LEERLING)

Leerlingen krijgen ruimte voor het oplossen van betekenisvolle problemen De didactische organisatie speelt daarin een rol. In begeleide keuzes helpen leidsters en leerkrachten hun leerlingen om initiatieven te nemen en plannen te maken voor hun activiteiten. Vooral kleine groepsactiviteiten maken het mogelijk om met hen samen te spelen, te praten, te denken en te werken. Binnen die betekenisvolle activiteiten ontstaan leerproblemen van waaruit kinderen gestimuleerd worden om zelf tot oplossingen te komen. Zelfgemaakte instrumenten kunnen daaraan bijdragen. (thema en projectwerking)

 

- (LEERTRAJECT)

De opbouw van het leertraject is systematisch en hypothetisch

Reflectie en observatie zijn onlosmakelijk aan het handelen van leerkrachten verbonden. Het curriculum is systematisch in de zin dat er voor de leerlingen een herkenbare rode draad doorheen loopt. Die rode draad zorgt ervoor dat leerlingen betekenis kunnen geven aan elke volgende stap in het leerproces.

Het leertraject berust op veronderstellingen van de leerkracht over te nemen nieuwe stappen. Die veronderstellingen worden in de de omgang met leerlingen op hun mogelijkheden onderzocht en zo nodig bijgesteld in samenspraak met de leerling. Dit op basis van observatie van die leerling. Uiteindelijk zijn er altid diverse leerwegen in een groep leerlingen.

Om dit te realiseren moeten leerlingen voortdurend observeren (attent zijn op ontwikkelingssignalerende gegevens) en hun handelen evalueren om tot evenwichtige en betekenisvolle veronderstellingen te komen over het vervolg van het leerproces.

Ze zoeken steeds naar wat leerlingen zelf willen en al (bijna) kunnen. Daar baseren ze hun aanbod op. Zo wordt er een zone van naaste ontwikkeling gecreëerd, waardoor leerlingen hun eigen ontwikkeling signaleren omdat ze merken dat de activiteit én zij zelf er beter van worden.